In een begraafboek staat dat Aeltje in 1698 werd begraven, oud omtrent vijftig jaren. Je weet nu iets over haar geboortejaar, maar niet wat. Schrijf je 1648 op, dan heb je een berekening tot feit gemaakt. Laat je het leeg, dan gooi je informatie weg die je wel degelijk hebt.
Wie 1648 opschrijft, stuurt de volgende onderzoeker naar de doopboeken van precies één jaar. Wie het leeg laat, laat hem opnieuw beginnen. Er is een derde manier, en die is makkelijker dan hij klinkt.
Onzekerheid is een gegeven
Een datum in een stamboom is zelden een datum. Vaker is het een uitspraak over de vorm van je onwetendheid: het gebeurde ergens tussen twee momenten, of vóór iets anders, of je hebt het uitgerekend uit een leeftijd. Die vorm hoort mee vastgelegd te worden, want die bepaalt wat een volgende onderzoeker met je bewering kan doen.
Het verschil is niet cosmetisch. "Geboren omstreeks 1648" nodigt uit tot verder zoeken in een marge van een paar jaar. "Geboren in 1648" doet dat niet, en stuurt de volgende onderzoeker langs de doopboeken van precies het verkeerde jaar.
De zeven vormen
GEDCOM, de standaard waarmee programma's stambomen uitwisselen, kent zeven manieren om een onzekere datum vast te leggen. Ze dekken samen vrijwel alles wat je in een archief tegenkomt.
Die afkortingen typ je zelf zelden. Je programma schrijft ze wanneer jij bij een datum kiest voor "omstreeks", "voor" of "tussen" — meestal via een keuzelijstje naast het invoervak. Ze staan hier zodat je ze herkent als je ooit in het bestand zelf kijkt, en zodat je weet welke mogelijkheid je in je eigen programma zoekt. Hoe je zo'n bestand opent en doorzoekt staat in zelf in je GEDCOM-bestand kijken.
| Vorm | Betekent | Wanneer |
|---|---|---|
ABT (about) | Ongeveer, niet exact | "oud omtrent vijftig jaren" |
CAL (calculated) | Rekenkundig afgeleid | Geboortejaar uit een leeftijd bij overlijden |
EST (estimated) | Geschat op grond van iets anders | Huwelijksjaar geschat uit de doop van het oudste kind |
BEF / AFT | Vóór of ná een datum | Overleden vóór de akte waarin de weduwe wordt genoemd |
BET … AND … | Tussen twee datums | Tussen de laatste vermelding en de eerste keer "zaliger" |
FROM … TO … | Een periode, geen moment | Een ambtstermijn of een woonperiode |
INT (interpreted) | Jouw omrekening, met de oorspronkelijke tekst erbij | "op Sint-Maarten 1698" omgerekend naar 11 november |
| Datumzin | Alleen de letterlijke tekst, niet omgerekend | "des sondaeghs na Paesschen", als je de kalender niet zeker weet |
Dat laatste onderscheid wordt vaak over het hoofd gezien. De standaard waarschuwt er zelf
voor: gebruik BET … AND als iets op één moment gebeurde en je niet weet
wanneer, en FROM … TO als iets werkelijk een periode besloeg. Duurt het
voort in de tijd, dan is het waarschijnlijk geen gebeurtenis maar een kenmerk.
De laatste twee worden in Nederlands onderzoek het vaakst gemist. Akten dateren vaak op een heiligendag of een kerkelijk feest — "op Sint-Maarten", "des sondaeghs na Paesschen" — en die moet je omrekenen naar een gewone datum. Leg dan allebei vast: jouw omrekening én de tekst waar hij op rust. Een volgende onderzoeker kan dan zien of je het goed hebt gedaan, en jij kunt het zelf later nog nakijken.
Heeft je programma daar geen apart veld voor, zet de letterlijke tekst dan in een notitie bij de gebeurtenis. Weet je de omrekening niet zeker, laat de datum dan leeg en noteer alleen wat er staat: liever geen datum dan een verkeerde zekerheid.
Het verschil tussen CAL en EST is subtiel maar bruikbaar:
CAL is uitgerekend uit een concreet gegeven in een bron, EST is
afgeleid uit een aanname over hoe het meestal gaat. De eerste kan een volgende onderzoeker
natrekken, de tweede alleen beoordelen.
Waarom vrije tekst je onzekerheid kost
Veel programma's laten je in het datumveld gewoon "circa 1750" of "voor 1700" typen, en tonen dat netjes terug. Zolang je in dat ene programma blijft, gaat het goed.
Bij een export verdwijnt het onderscheid alleen vaak alsnog. Wat als losse tekst is
opgeslagen kan bij de ontvanger als kale 1750 aankomen, of als niets. In het
eerste geval is je onzekerheid stilzwijgend een harde datum geworden — precies de fout die
je wilde voorkomen, nu vastgelegd in een bestand dat je zelf niet meer nakijkt.
Gebruik daarom de velden die je programma voor onzekerheid biedt, ook als het typen van "circa 1750" sneller lijkt. Het kost je één handeling en het is het verschil tussen een bewering die de overstap overleeft en een die dat niet doet.
Tien dagen, later elf
In 1582 verving paus Gregorius XIII de Juliaanse kalender, die te veel schrikkeldagen kende en daardoor was gaan achterlopen op de seizoenen. De correctie bestond uit het overslaan van een aantal dagen. Wie de akten van die periode leest, komt data tegen die domweg niet bestaan hebben.
In de Nederlanden verliep dat niet in één keer. Brabant en Zeeland gingen als eersten over: op 14 december 1582 volgde 25 december 1582. Holland volgde kort daarna, met 12 januari 1583 als opvolger van 1 januari. Groningen sloeg in februari 1583 tien dagen over, maar keerde in 1594 terug naar de oude kalender.
De rest van de gewesten wachtte meer dan een eeuw, en tegen die tijd was het verschil opgelopen tot elf dagen. Dat komt door de eeuwjaren: de Juliaanse kalender gaf 1700 een schrikkeldag, de Gregoriaanse niet, want daar is een eeuwjaar alleen schrikkeljaar als het deelbaar is door 400. Op 1 maart 1700 kwam er dus een dag verschil bij.
Per gewest verschillend
| Gewest | Overgang | Laatste oude dag | Eerste nieuwe dag |
|---|---|---|---|
| Brabant, Zeeland | 1582 | 14 december 1582 | 25 december 1582 |
| Holland | 1583 | 1 januari 1583 | 12 januari 1583 |
| Groningen | 1583, in 1594 teruggedraaid | februari 1583 | terug: 19 nov 1594 → 10 nov 1594 |
| Gelderland | 1700 | 30 juni 1700 | 12 juli 1700 |
| Utrecht, Overijssel | 1700 | 30 november 1700 | 12 december 1700 |
| Friesland, Groningen | 1701 | 31 december 1700 | 12 januari 1701 |
| Drenthe | 1701 | 30 april 1701 | 12 mei 1701 |
Wat dit praktisch betekent: tussen 1583 en 1701 kon dezelfde dag in Holland en in Drenthe een verschillende datum hebben. Een brief die op 3 juli in Amsterdam werd geschreven en op 28 juni in Assen aankwam, is geen fout in de bron. Vergelijk je twee akten uit verschillende gewesten uit die periode, dan vergelijk je mogelijk twee kalenders.
Het jaar begon niet overal op 1 januari
Nog even volhouden, want deze is de moeite waard: hij kost een heel jaar in plaats van elf dagen, en hij is veel minder bekend dan de kalenderovergang hierboven. Vóór de invoering van de jaardagstijl begon het nieuwe jaar niet overal op 1 januari. Gebruikelijk waren onder meer de boodschapstijl (25 maart, Maria-Boodschap), de kerststijl (25 december) en de paasstijl, die meebeweegt met Pasen en dus per jaar verschilt.
Het gevolg: in een gewest met de boodschapstijl viel 1 februari 1580 ná 1 december 1580, niet ervóór. Wie zulke datums naast elkaar legt zonder de jaarstijl te kennen, bouwt een chronologie die niet klopt — en die fout is later nauwelijks terug te vinden, want beide datums zien er volstrekt normaal uit.
Holland stapte in 1580 over op de jaardagstijl, andere gewesten op andere momenten. Archieven vermelden doorgaans welke stijl in hun bronnen wordt gebruikt; het is de moeite waard dat één keer op te zoeken voor het gebied waarin je werkt.
Dubbele datering
Omdat handelaren en bestuurders met beide kalenders te maken hadden, schreven zij data in de overgangsperiode soms dubbel: 3/13 juli, of met de toevoeging "stilo novo" (nieuwe stijl) of "stilo veteri" (oude stijl). Kom je dat tegen, dan weet je meteen dat je in de overgangsperiode zit en welk gewest de bron waarschijnlijk uit komt.
Bij de jaarstijl kom je een andere dubbeling tegen: 15 april 1699/1700, waarbij het eerste jaartal de oude stijl is en het tweede de nieuwe. GEDCOM ondersteunt die schrijfwijze rechtstreeks, met een schuine streep tussen beide jaartallen.
Voor je vastlegging: kies één kalender voor je hele bestand (in de praktijk de
Gregoriaanse, omdat vrijwel elk programma daarvan uitgaat) en noteer de oorspronkelijke
datum letterlijk in een notitie bij de bron. GEDCOM kan een datum wel als Juliaans markeren — in het bestand
staat er dan @#DJULIAN@ vóór — maar lang niet elk programma doet daar iets
mee. Een datum die bij de ontvanger stilzwijgend als Gregoriaans wordt gelezen, is elf
dagen verkeerd.
De veilige route is dus: reken om, leg vast dat je hebt omgerekend, en bewaar het origineel in de tekst. Wie je werk later controleert, kan dan zien wat er in de akte stond.
In de praktijk
Je hoeft hiervoor niets nieuws te leren. Het gaat om drie gewoonten bij het invoeren, die je later veel uitzoekwerk besparen:
Leg de vorm van je onzekerheid vast, niet alleen je beste gok. Een berekend jaartal is iets anders dan een gevonden jaartal, en dat onderscheid is later niet meer te reconstrueren als je het nu niet noteert.
Noteer bij elke datum van vóór 1701 uit welk gewest de bron komt. Niet om de kalender, maar omdat je die informatie nodig hebt op het moment dat je die bron naast een andere legt.
Schrijf de akte letterlijk over in een notitie, ook als je de datum omrekent of interpreteert. Jouw interpretatie kan achteraf onjuist blijken; de tekst van de akte niet.