"Ik maak een stamboom" kan vier verschillende dingen betekenen. Dat klinkt als haarkloverij, maar het scheelt in de praktijk een hoop werk: de vorm die je kiest bepaalt welke archieven je nodig hebt, hoe groot het wordt, en of je over tien jaar nog kunt uitleggen wat je hebt onderzocht.
Geen zorgen als je er nu middenin zit en niet precies weet welke kant je op gaat. Dat hebben de meeste mensen, en het is prima om er onderweg achter te komen.
Twee vragen
Alle vier volgen uit twee keuzes. Welke kant op kijk je: terug naar je voorouders, of vooruit naar iemands nakomelingen? En hoe breed: houd je het bij één lijn of één familienaam, of neem je alle takken mee?
Let op dat "breed" bij de twee richtingen iets anders betekent. Terugkijkend gaat het om één lijn tegenover alle lijnen. Vooruitkijkend gaat het om alleen de naamdragers tegenover iedereen: een genealogie volgt geen enkele lijn, maar alle mannelijke takken tegelijk.
| Beperkt | Volledig | |
|---|---|---|
| Terug in de tijd (voorouders) | Stamreeks één lijn | Kwartierstaat alle lijnen |
| Vooruit in de tijd (nakomelingen) | Genealogie alleen naamdragers | Parenteel iedereen |
De verwarring in de praktijk zit bijna altijd tussen de twee kolommen: mensen zeggen "genealogie" waar ze een kwartierstaat bedoelen, of noemen alles een stamboom. De twee rijen worden zelden verwisseld, want de richting merk je vanzelf zodra je aan het zoeken bent.
Kwartierstaat
Een kwartierstaat toont alle directe voorouders van één persoon, in mannelijke én vrouwelijke lijn. Twee ouders, vier grootouders, acht overgrootouders: elke generatie verdubbelt. De persoon van wie je uitgaat heet de proband of kwartierdrager.
De naam komt van de wapenkunde. Op een wapenschild verdeeld in vier kwartieren plaatste men de wapens van de vier grootouders, en dat woord is voor de hele opstelling in gebruik gebleven.
Dit is de vorm voor de vraag "van wie stam ik af". Hij groeit hard: tien generaties terug staan er theoretisch 1.024 voorouders. In de praktijk minder, doordat dezelfde persoon op meerdere plekken terugkomt als er verwanten met elkaar trouwden. Dat heet kwartierherhaling, internationaal ook implex, en het is eerder regel dan uitzondering.
Verwar het niet met kwartierverlies: dat betekent dat een voorouder niet opspoorbaar is, bijvoorbeeld bij een geboorte waarvan geen vader is geregistreerd. De twee worden vaak door elkaar gehaald, mede doordat het Duitse Ahnenverlust wél op herhaling slaat.
Stamreeks
Een stamreeks volgt één enkele lijn terug: vader op vader (patrilineair) of moeder op moeder (matrilineair). Geen broers, geen zussen, geen zijtakken. Van elke generatie precies één persoon.
Het is de smalste vorm en daarmee de snelste om af te ronden. Handig als eerste kennismaking met het archiefwerk, en de standaardvorm als je wilt aantonen dat je van een bepaalde persoon afstamt.
Eén waarschuwing bij de mannelijke lijn: die loopt alleen mee met de achternaam zolang er vaste achternamen zijn. In Nederland zijn die pas verplicht sinds 1811. Daarvóór domineren patroniemen, die per generatie veranderen: Jan Pietersz is de zoon van Pieter, en zijn zoon heet Pieter Jansz. Juist in de oudste bronnen helpt de naam je dus niet.
De keerzijde: één ontbrekende schakel en je bent klaar. Er is geen andere route naar de generatie erboven.
Parenteel
Een parenteel is de omgekeerde kwartierstaat: alle nakomelingen van één persoon of echtpaar, via zonen én dochters. Dit is de meest omvangrijke van de vier, en de enige die de complete familie in beeld brengt in plaats van één lijn erdoorheen.
Gebruik hem als je wilt weten wie er allemaal van een stamouder afstamt, bijvoorbeeld voor een familiereünie, een familieboek of een erfrechtelijke vraag. Reken op veel werk: elke dochter brengt een nieuwe achternaam mee, en daarmee een nieuwe zoektocht.
Genealogie
Verwarrend genoeg is "genealogie" naast de naam van het hele vakgebied ook een specifieke opstelling: alle nakomelingen in de mannelijke lijn. Van de zonen werk je het volledige gezin uit; van de dochters noem je wie ze trouwden, maar hun kinderen volg je niet verder.
Het resultaat is de klassieke familiegeschiedenis die één achternaam volgt door de eeuwen heen. Dat is precies de reden dat de vorm zo gangbaar werd, en ook waarom hij tegenwoordig minder vanzelfsprekend is: de helft van je nakomelingen valt er buiten. Wie de volledige familie wil, kiest een parenteel.
Er is nog een vijfde vorm die net buiten het schema valt: de naamgenealogie. Die neemt álle dragers van een familienaam op, ook wie niet in de mannelijke lijn van de stamvader past. Dat is de vorm achter familieverenigingen en naamstudies, en hij laat meteen zien dat het schema hierboven een hulpmiddel is en geen wet.
Welke kies je
| Je wilt weten… | Vorm | Omvang |
|---|---|---|
| Van wie ik afstam | Kwartierstaat | Verdubbelt per generatie |
| Of ik van één bepaalde persoon afstam | Stamreeks | Eén persoon per generatie |
| Wie er allemaal van een stamouder afstammen | Parenteel | Het grootst |
| De geschiedenis van één familienaam | Genealogie | Groot, maar begrensd |
Gelukkig hoef je niet te kiezen voor altijd. De gegevens die je verzamelt zijn dezelfde: personen, relaties, gebeurtenissen en bronnen. Alleen de manier waarop je ze presenteert verschilt, en een programma dat die vormen kent kan tussen de opstellingen wisselen zonder dat je iets opnieuw invoert — zo werkt dat in Pecktree. Wat je vooraf moet weten is welke vraag je beantwoordt, want die bepaalt welke archieven je in gaat.
Nummering
Elke vorm heeft een eigen manier om personen aan te duiden, en dat is geen sierlijkheid: zonder nummer kun je in een tekst niet ondubbelzinnig naar iemand verwijzen. "De grootvader van moederskant" is dubbelzinnig zodra er twee takken in het spel zijn.
In een kwartierstaat gebruik je Sosa-Stradonitz, in Nederlandstalige literatuur ook het systeem-Kekulé: de proband krijgt 1, de vader van persoon N krijgt 2N en de moeder 2N+1. Daardoor is elk nummer meteen een route door de stamboom, en heeft elke man een even nummer en elke vrouw een oneven — met de proband als enige uitzondering, want die houdt nummer 1 ongeacht geslacht. Hoe het precies werkt staat in het artikel over Sosa-Stradonitz, inclusief wat er bij kwartierherhaling met de nummering gebeurt.
Bij de vormen die vooruit kijken, parenteel en genealogie, bestaat zo'n rekenregel niet: het aantal kinderen per gezin ligt niet vast. De Nederlandse conventie is een Romeins cijfer voor de generatie (I, II, III), een kleine letter voor wie verder wordt uitgewerkt (IIa, IIb), en Arabische cijfers voor de kinderen binnen een gezin. Een stamreeks gebruikt alleen de Romeinse generatienummers, want er is er per generatie maar één.
Internationaal bestaan er wél doorgenummerde systemen voor afstammelingen, zoals dat van d'Aboville (1, 1.1, 1.1.1) en dat van Henry. Kom je die tegen in buitenlandse literatuur, dan is het geen slordigheid maar een andere conventie.
Welke conventie je ook aanhoudt: houd hem consequent vol binnen één publicatie, en zet ergens uitgelegd wat je systeem is. Een lezer die je nummering niet kan volgen, kan je onderzoek niet controleren.